Kinderen van Abraham
Amsterdam - 10 januari 2005
 

Kinderen van Abraham

Teksten

Pers
Foto's
Oecumene en
dialoog
Home
 
 
 
 
Copyright Sant'Egidio 2004
 
A.H. van Luyn s.d.b., bisschop van Rotterdam

 

In januari 2002 bezocht de opperrabbijn van de Verenigde Hebreeuwse Congregaties van de Commonwealth, Jonathan Sacks, samen met andere vertegenwoordigers van de wereldgodsdiensten, Ground Zero in New York, de plaats van de verwoestende aanslag op het World Trade Center op 11 september 2001.
Vrucht van zijn overwegingen tijdens en na deze aangrijpende bijeenkomst is zijn boek “The Dignity of Difference. How to avoid the clash of civilisations”. (London/New York, 2002/2003), bedoeld “als een pleidooi voor tolerantie in een tijdperk van extremisme”. Zijn uitgangspunt is enerzijds de absolute waardigheid van individuele levens, een waarde die “non negotiable” is (pag. 12) en anderzijds het recht van de individuele mens om van anderen te verschillen.
Als God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis, dan geldt dat voor alle individuele mensen. De uitdaging van deze bijbelse overtuiging is dat we Gods beeld zien in degene die niet lijkt op het beeld dat we van onszelf gemaakt hebben, ook in de vreemdeling. Er dient ruimte te zijn voor verschil, en dat verschil is onlosmakelijk verbonden met de waardigheid van de mens. Niemand is uitgesloten van de wezenlijke relatie met de God die hem of haar schiep. God overstijgt elk particularisme van culturen en de grenzen van menselijke interpretaties (pag. 65). Geen enkele cultuur is de maat van alle mensen, geen cultuur omvat alle geestelijke, ethische en kunstzinnige expressies van de mensheid (pag. 62). Daarom heeft geen enkele cultuur het recht met geweld zich op te leggen aan anderen, geen enkel volk of staat of kerk is de exclusieve ‘bezitter’ van de waarheid (pag. 63). Gods woord komt steeds bemiddeld tot de mens, overstijgt elke eindige, beperkte interpretatie. Menselijke perceptie is steeds gebonden aan en geconditioneerd door ruimte en tijd. Elke menselijke cultuur heeft daarom de relatie nodig met andere culturen, vanwege het algemeen goed van de mensheid. Vandaar Sacks’ pleidooi voor de dialoog (de conversatie, niet het debat) en voor de ‘imperatief van de verantwoordelijkheid’.

Toen ik dit boek las, werd ik sterk herinnerd aan de Verklaring over de Godsdienstvrijheid van het Tweede Vaticaans Concilie. Op 7 december 1965 werd dit belangrijke document afgekondigd, nu veertig jaar geleden. Het staat bekend en wordt geciteerd onder de beginwoorden”Dignitatis humanae” (‘human dignity’): “Van de waardigheid van de menselijke persoon worden de mensen in onze tijd zich steeds meer bewust”, zo begint het document. Op deze onvervreemdbare waardigheid, door God aan alle mensen gelijkelijk geschonken, berust het recht op godsdienstvrijheid. Deze vrijheid van eigen keuze en naar eigen geweten is een onschendbaar recht van de menselijke persoon en dient als burgerrecht erkend te worden in de juridische ordening van de maatschappij en mag niet verhinderd worden, mits de rechtvaardige openbare orde onaangetast blijft.
Wel verbindt het Conciliedocument aan dit recht de plicht van iedere mens om de waarheid te zoeken, vooral omtrent de laatste vragen rond het menselijk bestaan, zijn oorsprong en bestemming, en zich met betrekking tot de invulling en zingeving van zijn leven prudente en juiste gewetensoordelen te vormen. Aan deze onvervreemdbare persoonlijke verantwoordelijkheid verbindt het Concilie nog twee andere niveaus van verantwoordelijkheid. Allereerst die voor elkaar, de sociale verantwoordelijkheid: een ieder dient rekening te houden met de rechten van de ander, die immers dezelfde zijn als die van iedere mens. Dat houdt in: respect voor andermans recht op godsdienstvrijheid, geen discriminatie, geen dwang of blokkades van deze vrijheid, geen geweld tegen andersdenkenden. De overheid dient op elk niveau deze rechten te waarborgen. Vervolgens is er de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het algemeen welzijn in de samenleving van een volk, een staat, een internationale gemeenschap, de wereldwijde mensheid: de zorg voor een vreedzame en rechtvaardige ordening, zonder een bepaalde groep onrechtmatig te bevoordelen, niet naar willekeur, maar in overeenstemming met de objectieve morele orde en met het bijbelse ideaal van ‘gerechtigheid’.
Het conciliedocument dringt daarom aan op dialoog om elkaar wederzijds te helpen bij het zoeken van de waarheid en op samenwerking bij het nastreven van al wat waardevol en rechtvaardig is, bij de inzet voor vredelievende betrekkingen en eendracht in de wereld van vandaag. Het concilie stelt dat de urgentie hiertoe steeds groter wordt. “Het is immers duidelijk dat de volkeren tegenwoordig steeds meer één worden; dat nauwere banden ontstaan tussen mensen met verschillende culturen en godsdienst, dat ieder meer bewust wordt van zijn persoonlijke verantwoordelijkheid” (DH, nummer 15).

De urgentie is de laatste decennia alleen nog maar toegenomen, in heel West Europa. Ook in ons land, waar ongeveer een miljoen moslim-burgers wonen, stelt zich steeds dringender de vraag, hoe een groeiende minderheid van een tot voor kort in Nederland onbekende cultuur en godsdienst te integreren in de samenleving of beter te laten participeren als volwaardige medelanders. Hoe kan voorkomen worden dat onze samenleving een “archipel” van culturen wordt, hoe kan een conflict tussen culturen voorkomen worden?
Was dit al eind vorige eeuw een vraag waarop we nauwelijks een passend antwoord konden vinden, na de aanslagen van 11 september 2001 in New York en Washington, en andere aanslagen, ook in Europa in Madrid op 11 maart 2004, en na de oorlogen die eerst in Afghanistan en daarna in Irak gevoerd werden door een voornamelijk westerse alliantie onder leiding van de Verenigde Staten, is de situatie alleen maar complexer geworden. Binnen de moslim-minderheid in ons land ontstond, vooral onder jongeren, een verzetbeweging tegen het Westen, die zich aangetrokken voelde tot radicale fundamentalistische ideologieën en respectievelijke (internationale) organisaties. Hieruit kwam de rituele moord voort op de cineast Theo van Gogh, op 2 november jl. op klaarlichte dag in Amsterdam. Gewelddadige reacties van rechtse groeperingen die al jarenlang ijveren voor een vreemdelingenvrije Nederlandse samenleving enerzijds en groeiende onzekerheid en angst onder de autochtone bevolking anderzijds, kunnen leiden tot oplopende spanningen, splitsingen en botsingen in de samenleving.

Het is inderdaad urgent om de dialoog te entameren en te bevorderen tussen de culturen en godsdiensten, op grond van de twee basis-uitgangspunten van enerzijds de waardigheid van de menselijke persoon en van anderzijds het algemeen welzijn.
Tot de interreligieuze dialoog, tot respect en begrip en tot bundeling van alle goede krachten voor het ‘algemeen goed’ van onze samenleving hebben de Nederlandse bisschoppen opgeroepen in hun open brief aan de Nederlandse samenleving op 11 november jl. In deze brief maakten de bisschoppen ook het besluit bekend tot de oprichting van een Contactraad Interreligieuze Dialoog.
Aan bovengenoemde publicaties (het boek van Sacks, het conciliedocument en de open brief) ontleen ik de volgende drie stellingen, als onmisbare voorwaarden voor de dialoog.

1. Een eerste voorwaarde is een zelfkritische instelling, vanuit het inzicht dat geen enkele religieuze groepering of politieke en levensbeschouwelijke richting een ‘exclusieve’ claim kan laten gelden op het ‘bezit’ van de totale waarheid. Bovendien is geen individu noch groepering in staat om het ideaal van de eigen religie of levensbeschouwing volledig te realiseren in eigen leven en werken, zonder tekortkomingen of fouten. Tenslotte leert de geschiedenis dat geen enkele religie het kan stellen zonder een zelfcorrigerend vermogen wat betreft verkeerde of tendentieuze interpretaties van eigen heilige boeken en wetten. We hebben allemaal vergeving en verzoening nodig, zoals de Paus dat gedurende de veertigdagentijd van het Jubileum 2000 in Rome getoond heeft met het “mea culpa” voor de misstappen van de katholieke kerk in het verleden.
Een dergelijke zelfkritiek geldt vanzelfsprekend ook de allochtone groeperingen. Maar zijn wij Nederlanders niet al te zeer geneigd om de eigen cultuur positief te waarderen, zonder ons daarbij kritische vragen te stellen? Aan welke ‘set’ van waarden dienen nieuwkomers zich aan te passen, wanneer er onder de eigen bevolking steeds minder consensus bestaat omtrent wezenlijke humane waarden en het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over “Waarden en normen en de last van het gedrag” (oktober 2003) de pluriformiteit van waardebelevingen als een grote verworvenheid, als zelf een waarde beoordeelt. Terecht wijst het rapport ook op de onopgeefbare waarden van de democratische rechtsstaat, maar is de democratisch tot stand gekomen meerderheid uit zichzelf een garantie voor humaniteit en humanisering op alle terreinen? Maakt de individualistische vrijheidsbeleving in onze cultuur niet onvermijdelijk een permissieve en zelfs negatieve indruk op andere, allochtone, culturen?

2. Een tweede voorwaarde is het verantwoordelijkheidsbesef. Een serieuze dialoog vereist dat we onszelf medeverantwoordelijk voelen voor anderen. Tolerantie betekent niet slechts dat we elkaar verdragen, maar dat we ons ter beschikking stellen van elkaar, waar nodig en mogelijk. Een constructieve dialoog streeft niet alleen naar begrip en respect voor andere gesprekspartners, maar ook naar wederzijdse verrijking en aanvulling, in de gezamenlijke zoektocht naar de juiste afwegingen omtrent universele grondwaarden, in antwoord op de uitdagingen en nieuwe problemen van deze tijd.

3. Een derde voorwaarde is de krachtenbundeling voor het algemeen welzijn. In de overtuiging dat dit ‘common good’ steeds groter is dan de som van particuliere en groepsbelangen, en nooit gelijk gesteld kan worden met het belang of de visie van slechts één van de groeperingen, partners of partijen in de samenleving. Het algemeen goed kan en moet deze deelbelangen relativeren en mag, waar nodig, ook offers vragen. Vooral wanneer het erop aankomt problemen te bestrijden van sociale onrechtvaardigheid, marginalisering, corruptie, zinloos geweld, conflicten. Krachtenbundeling mag niet alleen beperkt blijven tot de eigen westerse samenleving, maar vraagt om bewust bij te dragen aan vrede en gerechtigheid wereldwijd. We zijn gewend om het ‘algemeen welzijn’ te beperken tot eigen volk of staat, maar we zijn ook medeverantwoordelijk voor andere landen en continenten, vooral wanneer deze lijden onder armoede, honger, terreur, natuurrampen en oorlogsgeweld.

Tenslotte,
de drie wereldgodsdiensten, joden, christenen en moslims, hebben eenzelfde stamvader, Abraham. Hij is voor ons allen een model om de angst, de vervreemding en het geweld te overwinnen. Hij leert ons het paradigma van de gastvrijheid. Hij zit voor zijn tent en ziet uit in het heetst van de dag naar reizigers om hun gastvrijheid aan te bieden. Hij kijkt op en ziet drie vreemdelingen voor hem staan. Onmiddellijk snelt hij de tent uit naar hen toe, hij buigt voor hen, nodigt hen bij zich uit in de tent en bedient hen (Gen. 18).
Tijdens de ontmoeting van de wereldgodsdiensten in Milaan (september 2004), georganiseerd door de Sant’ Egidiogemeenschap, sloot rabijn David Rosen zijn bijdrage “Combating Terror, the role of People of Religion” af met dit paradigma en hij citeerde een chassidische leraar, die de vraag opwierp waarom deze engelen in de tekst als mensen worden voorgesteld, vooral gezien het volgende hoofdstuk van het boek Genesis, dat begint met de woorden “en de twee engelen kwamen naar Sedom … en Lot zag hen en ging hen tegemoet ….”. Het antwoord van de rabbi was dat het voor de engelen niet nodig was om zichzelf als zodanig bekend te maken, want Abraham zag de engel in iedere mens.

 
 

Op de hoogte blijven van Sant'Egidio in de Benelux

Contact