In januari
2002 bezocht de opperrabbijn van de Verenigde Hebreeuwse Congregaties
van de Commonwealth, Jonathan Sacks, samen met andere vertegenwoordigers
van de wereldgodsdiensten, Ground Zero in New York, de plaats van
de verwoestende aanslag op het World Trade Center op 11 september
2001.
Vrucht van zijn overwegingen tijdens en na deze aangrijpende bijeenkomst
is zijn boek “The Dignity of Difference. How to avoid the
clash of civilisations”. (London/New York, 2002/2003), bedoeld
“als een pleidooi voor tolerantie in een tijdperk van extremisme”.
Zijn uitgangspunt is enerzijds de absolute waardigheid van individuele
levens, een waarde die “non negotiable” is (pag. 12)
en anderzijds het recht van de individuele mens om van anderen te
verschillen.
Als God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis, dan geldt
dat voor alle individuele mensen. De uitdaging van deze bijbelse
overtuiging is dat we Gods beeld zien in degene die niet lijkt op
het beeld dat we van onszelf gemaakt hebben, ook in de vreemdeling.
Er dient ruimte te zijn voor verschil, en dat verschil is onlosmakelijk
verbonden met de waardigheid van de mens. Niemand is uitgesloten
van de wezenlijke relatie met de God die hem of haar schiep. God
overstijgt elk particularisme van culturen en de grenzen van menselijke
interpretaties (pag. 65). Geen enkele cultuur is de maat van alle
mensen, geen cultuur omvat alle geestelijke, ethische en kunstzinnige
expressies van de mensheid (pag. 62). Daarom heeft geen enkele cultuur
het recht met geweld zich op te leggen aan anderen, geen enkel volk
of staat of kerk is de exclusieve ‘bezitter’ van de
waarheid (pag. 63). Gods woord komt steeds bemiddeld tot de mens,
overstijgt elke eindige, beperkte interpretatie. Menselijke perceptie
is steeds gebonden aan en geconditioneerd door ruimte en tijd. Elke
menselijke cultuur heeft daarom de relatie nodig met andere culturen,
vanwege het algemeen goed van de mensheid. Vandaar Sacks’
pleidooi voor de dialoog (de conversatie, niet het debat) en voor
de ‘imperatief van de verantwoordelijkheid’.
Toen ik dit boek las, werd ik sterk herinnerd aan de Verklaring
over de Godsdienstvrijheid van het Tweede Vaticaans Concilie. Op
7 december 1965 werd dit belangrijke document afgekondigd, nu veertig
jaar geleden. Het staat bekend en wordt geciteerd onder de beginwoorden”Dignitatis
humanae” (‘human dignity’): “Van de waardigheid
van de menselijke persoon worden de mensen in onze tijd zich steeds
meer bewust”, zo begint het document. Op deze onvervreemdbare
waardigheid, door God aan alle mensen gelijkelijk geschonken, berust
het recht op godsdienstvrijheid. Deze vrijheid van eigen keuze en
naar eigen geweten is een onschendbaar recht van de menselijke persoon
en dient als burgerrecht erkend te worden in de juridische ordening
van de maatschappij en mag niet verhinderd worden, mits de rechtvaardige
openbare orde onaangetast blijft.
Wel verbindt het Conciliedocument aan dit recht de plicht van iedere
mens om de waarheid te zoeken, vooral omtrent de laatste vragen
rond het menselijk bestaan, zijn oorsprong en bestemming, en zich
met betrekking tot de invulling en zingeving van zijn leven prudente
en juiste gewetensoordelen te vormen. Aan deze onvervreemdbare persoonlijke
verantwoordelijkheid verbindt het Concilie nog twee andere niveaus
van verantwoordelijkheid. Allereerst die voor elkaar, de sociale
verantwoordelijkheid: een ieder dient rekening te houden met de
rechten van de ander, die immers dezelfde zijn als die van iedere
mens. Dat houdt in: respect voor andermans recht op godsdienstvrijheid,
geen discriminatie, geen dwang of blokkades van deze vrijheid, geen
geweld tegen andersdenkenden. De overheid dient op elk niveau deze
rechten te waarborgen. Vervolgens is er de gezamenlijke verantwoordelijkheid
voor het algemeen welzijn in de samenleving van een volk, een staat,
een internationale gemeenschap, de wereldwijde mensheid: de zorg
voor een vreedzame en rechtvaardige ordening, zonder een bepaalde
groep onrechtmatig te bevoordelen, niet naar willekeur, maar in
overeenstemming met de objectieve morele orde en met het bijbelse
ideaal van ‘gerechtigheid’.
Het conciliedocument dringt daarom aan op dialoog om elkaar wederzijds
te helpen bij het zoeken van de waarheid en op samenwerking bij
het nastreven van al wat waardevol en rechtvaardig is, bij de inzet
voor vredelievende betrekkingen en eendracht in de wereld van vandaag.
Het concilie stelt dat de urgentie hiertoe steeds groter wordt.
“Het is immers duidelijk dat de volkeren tegenwoordig steeds
meer één worden; dat nauwere banden ontstaan tussen
mensen met verschillende culturen en godsdienst, dat ieder meer
bewust wordt van zijn persoonlijke verantwoordelijkheid” (DH,
nummer 15).
De urgentie is de laatste decennia alleen nog maar toegenomen,
in heel West Europa. Ook in ons land, waar ongeveer een miljoen
moslim-burgers wonen, stelt zich steeds dringender de vraag, hoe
een groeiende minderheid van een tot voor kort in Nederland onbekende
cultuur en godsdienst te integreren in de samenleving of beter te
laten participeren als volwaardige medelanders. Hoe kan voorkomen
worden dat onze samenleving een “archipel” van culturen
wordt, hoe kan een conflict tussen culturen voorkomen worden?
Was dit al eind vorige eeuw een vraag waarop we nauwelijks een passend
antwoord konden vinden, na de aanslagen van 11 september 2001 in
New York en Washington, en andere aanslagen, ook in Europa in Madrid
op 11 maart 2004, en na de oorlogen die eerst in Afghanistan en
daarna in Irak gevoerd werden door een voornamelijk westerse alliantie
onder leiding van de Verenigde Staten, is de situatie alleen maar
complexer geworden. Binnen de moslim-minderheid in ons land ontstond,
vooral onder jongeren, een verzetbeweging tegen het Westen, die
zich aangetrokken voelde tot radicale fundamentalistische ideologieën
en respectievelijke (internationale) organisaties. Hieruit kwam
de rituele moord voort op de cineast Theo van Gogh, op 2 november
jl. op klaarlichte dag in Amsterdam. Gewelddadige reacties van rechtse
groeperingen die al jarenlang ijveren voor een vreemdelingenvrije
Nederlandse samenleving enerzijds en groeiende onzekerheid en angst
onder de autochtone bevolking anderzijds, kunnen leiden tot oplopende
spanningen, splitsingen en botsingen in de samenleving.
Het is inderdaad urgent om de dialoog te entameren en te bevorderen
tussen de culturen en godsdiensten, op grond van de twee basis-uitgangspunten
van enerzijds de waardigheid van de menselijke persoon en van anderzijds
het algemeen welzijn.
Tot de interreligieuze dialoog, tot respect en begrip en tot bundeling
van alle goede krachten voor het ‘algemeen goed’ van
onze samenleving hebben de Nederlandse bisschoppen opgeroepen in
hun open brief aan de Nederlandse samenleving op 11 november jl.
In deze brief maakten de bisschoppen ook het besluit bekend tot
de oprichting van een Contactraad Interreligieuze Dialoog.
Aan bovengenoemde publicaties (het boek van Sacks, het conciliedocument
en de open brief) ontleen ik de volgende drie stellingen, als onmisbare
voorwaarden voor de dialoog.
1. Een eerste voorwaarde is een zelfkritische instelling, vanuit
het inzicht dat geen enkele religieuze groepering of politieke en
levensbeschouwelijke richting een ‘exclusieve’ claim
kan laten gelden op het ‘bezit’ van de totale waarheid.
Bovendien is geen individu noch groepering in staat om het ideaal
van de eigen religie of levensbeschouwing volledig te realiseren
in eigen leven en werken, zonder tekortkomingen of fouten. Tenslotte
leert de geschiedenis dat geen enkele religie het kan stellen zonder
een zelfcorrigerend vermogen wat betreft verkeerde of tendentieuze
interpretaties van eigen heilige boeken en wetten. We hebben allemaal
vergeving en verzoening nodig, zoals de Paus dat gedurende de veertigdagentijd
van het Jubileum 2000 in Rome getoond heeft met het “mea culpa”
voor de misstappen van de katholieke kerk in het verleden.
Een dergelijke zelfkritiek geldt vanzelfsprekend ook de allochtone
groeperingen. Maar zijn wij Nederlanders niet al te zeer geneigd
om de eigen cultuur positief te waarderen, zonder ons daarbij kritische
vragen te stellen? Aan welke ‘set’ van waarden dienen
nieuwkomers zich aan te passen, wanneer er onder de eigen bevolking
steeds minder consensus bestaat omtrent wezenlijke humane waarden
en het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
over “Waarden en normen en de last van het gedrag” (oktober
2003) de pluriformiteit van waardebelevingen als een grote verworvenheid,
als zelf een waarde beoordeelt. Terecht wijst het rapport ook op
de onopgeefbare waarden van de democratische rechtsstaat, maar is
de democratisch tot stand gekomen meerderheid uit zichzelf een garantie
voor humaniteit en humanisering op alle terreinen? Maakt de individualistische
vrijheidsbeleving in onze cultuur niet onvermijdelijk een permissieve
en zelfs negatieve indruk op andere, allochtone, culturen?
2. Een tweede voorwaarde is het verantwoordelijkheidsbesef. Een
serieuze dialoog vereist dat we onszelf medeverantwoordelijk voelen
voor anderen. Tolerantie betekent niet slechts dat we elkaar verdragen,
maar dat we ons ter beschikking stellen van elkaar, waar nodig en
mogelijk. Een constructieve dialoog streeft niet alleen naar begrip
en respect voor andere gesprekspartners, maar ook naar wederzijdse
verrijking en aanvulling, in de gezamenlijke zoektocht naar de juiste
afwegingen omtrent universele grondwaarden, in antwoord op de uitdagingen
en nieuwe problemen van deze tijd.
3. Een derde voorwaarde is de krachtenbundeling voor het algemeen
welzijn. In de overtuiging dat dit ‘common good’ steeds
groter is dan de som van particuliere en groepsbelangen, en nooit
gelijk gesteld kan worden met het belang of de visie van slechts
één van de groeperingen, partners of partijen in de
samenleving. Het algemeen goed kan en moet deze deelbelangen relativeren
en mag, waar nodig, ook offers vragen. Vooral wanneer het erop aankomt
problemen te bestrijden van sociale onrechtvaardigheid, marginalisering,
corruptie, zinloos geweld, conflicten. Krachtenbundeling mag niet
alleen beperkt blijven tot de eigen westerse samenleving, maar vraagt
om bewust bij te dragen aan vrede en gerechtigheid wereldwijd. We
zijn gewend om het ‘algemeen welzijn’ te beperken tot
eigen volk of staat, maar we zijn ook medeverantwoordelijk voor
andere landen en continenten, vooral wanneer deze lijden onder armoede,
honger, terreur, natuurrampen en oorlogsgeweld.
Tenslotte,
de drie wereldgodsdiensten, joden, christenen en moslims, hebben
eenzelfde stamvader, Abraham. Hij is voor ons allen een model om
de angst, de vervreemding en het geweld te overwinnen. Hij leert
ons het paradigma van de gastvrijheid. Hij zit voor zijn tent en
ziet uit in het heetst van de dag naar reizigers om hun gastvrijheid
aan te bieden. Hij kijkt op en ziet drie vreemdelingen voor hem
staan. Onmiddellijk snelt hij de tent uit naar hen toe, hij buigt
voor hen, nodigt hen bij zich uit in de tent en bedient hen (Gen.
18).
Tijdens de ontmoeting van de wereldgodsdiensten in Milaan (september
2004), georganiseerd door de Sant’ Egidiogemeenschap, sloot
rabijn David Rosen zijn bijdrage “Combating Terror, the role
of People of Religion” af met dit paradigma en hij citeerde
een chassidische leraar, die de vraag opwierp waarom deze engelen
in de tekst als mensen worden voorgesteld, vooral gezien het volgende
hoofdstuk van het boek Genesis, dat begint met de woorden “en
de twee engelen kwamen naar Sedom … en Lot zag hen en ging
hen tegemoet ….”. Het antwoord van de rabbi was dat
het voor de engelen niet nodig was om zichzelf als zodanig bekend
te maken, want Abraham zag de engel in iedere mens.
|